Conserverende aanslag bij emigratie blijft onbeperkt openstaan
Wie minstens 5% van de aandelen heeft in een vennootschap, krijgt bij emigratie een conserverende aanslag over de waardegroei van het bezit in de periode dat hij in Nederland woonde. Onder de huidige regeling hoeft de emigrant de aanslag alleen te voldoen bij verkoop van de aandelen of uitkering van minimaal 90% van alle winstreserves in de vennootschap. Anders dan nu, wordt de conserverende aanslag niet meer kwijtgescholden na tien jaar verblijf in het buitenland. De aanslag blijft vanaf 2016 voor onbepaalde tijd openstaan. Daarnaast moet bij iedere winstuitkering naar rato belasting worden betaald. De voorgestelde maatregelen gaan met terugwerkende kracht gelden vanaf de publicatie van het Belastingplan op Prinsjesdag 2015.

Let op!
Bovenstaande maatregelen zijn ook van toepassing in andere gevallen waarbij een conserverende aanslag over inkomen uit aanmerkelijk belang wordt opgelegd. Denk aan een schenking of vererving van aanmerkelijk-belang-aandelen aan een natuurlijk persoon die niet in Nederland woont.

Stiefkind jonger dan 27 jaar kwalificeert niet als partner
Een kind jonger dan 27 jaar kan niet kwalificeren als partner van zijn vader of moeder. Deze uitzondering geldt niet voor stiefkinderen jonger dan 27 jaar, omdat de uitzondering uitsluitend geldt voor bloedverwantschap. Om bloed- en aanverwanten in het partnerbegrip hetzelfde te behandelen wordt in de wet opgenomen dat de aanverwant in de eerste graad van de belastingplichtige op verzoek niet als partner kwalificeert, tenzij beiden bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar hebben bereikt.

Nog een uitzondering op partnerbegrip  
Ook twee personen die worden gehuisvest in een opvanghuis met een kind van een van beiden, worden niet langer als partner aangemerkt voor de toeslagen én de inkomstenbelasting. Er wordt op dit punt een uitzondering gemaakt op het partnerbegrip, omdat het een groep kwetsbare personen betreft die geen zeggenschap heeft over de specifieke woning waarin zij worden geplaatst.

Erfpachtleaseconstructie wordt minder aantrekkelijk  
In de praktijk wordt als financieringsstructuur of voor de vervreemding van beleggingsvastgoed vaak gebruik gemaakt van de zogenoemde erfpachtlease in plaats van een ‘sale-and-leaseback’. Voor de overdrachtsbelasting kan namelijk, door het gebruik van de rechtsfiguur erfpachtlease, heffing worden vermeden die bij een ‘sale-and-leaseback’ wel verschuldigd zou zijn. Deze economische vergelijkbare gevallen worden voortaan fiscaal gelijk behandeld. Het is dan ook niet meer mogelijk om de grondslag waarover in geval van verkoop met gelijktijdige vestiging van een erfdienstbaarheid, een recht van erfpacht of een recht van opstal te verminderen met de gekapitaliseerde waarde van de erfpacht canon of retributie.

Afkoop lijfrente zonder toepassing minimumwaarderingsregel 
Bij afkoop van een lijfrente in de opbouwfase wordt uitgegaan van de minimumwaarderingsregel. De voor de belastingheffing in box 1 in aanmerking te nemen waarde wordt dan minimaal gesteld op het totaal van de eerder voor de aanspraak betaalde premies en andere bedragen. Wanneer de waarde van de lijfrente aanzienlijk lager is dan het bedrag van de in aftrek gebrachte premies, kan de verschuldigde belasting het door de verzekering uitgekeerde bedrag overstijgen. Om die reden wordt vanaf 1 januari 2016 ook in de inkomstenbelasting niet langer gewerkt met de minimumwaarderingsregel.

Let op!
In gevallen waar de termijn voor ambtshalve vermindering nog niet is verlopen, kan vooruitlopend op de aanpassing van de wet, een tegemoetkoming worden verleend voor afkopen die zijn gedaan vóór 1 januari 2016.

Uitgaven buitenlandse monumentenpanden aftrekbaar   
Met ingang van 1 januari 2016 is ook aftrek van uitgaven voor monumentenpanden toegestaan voor monumentenpanden die op het grondgebied van een andere EU-lidstaat of EER-staat is gelegen. Hierbij geldt onder meer de eis dat het monumentenpand een element vormt van het Nederlands cultureel erfgoed.

Tot € 100.000 belastingvrij schenken voor de eigen woning
De vrijstelling voor eenmalige schenkingen − van ouders aan kinderen tussen 18 en 40 jaar − voor de eigen woning wordt definitief verhoogd en verruimd. Vanaf 1 januari 2017 mag maximaal € 100.000 vrij van schenkbelasting geschonken worden voor de eigen woning aan iedereen tussen 18 en 40 jaar door een familielid of een derde.

Let op!
In 2016 geldt nog steeds een eenmalige verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen 18 en 40 jaar voor de eigen woning. Wel stijgt deze vrijstelling in 2016 van € 52.000 naar € 53.016.

Kinderalimentatieverplichting uitgezonderd van box 3  
Met de invoering van de Wet hervorming kindregelingen (WHK) is de aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van kinderen per 1 januari 2015 komen te vervallen. Als gevolg hiervan valt een kinderalimentatieverplichting niet langer onder de uitsluiting in box 3 van verplichtingen, die kunnen leiden tot uitgaven die geclaimd kunnen worden als persoonsgebonden aftrekpost. Hierdoor wordt het recht op kinderalimentatie niet, maar de verplichting wel in aanmerking genomen. Daarom zijn verplichtingen aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien vanaf 2017 uitgezonderd van box 3.

Vanaf 2017 nieuwe heffingssystematiek in  box 3
Onder de huidige regeling wordt de belasting in box 3 van de inkomstenbelasting met een vast forfaitair rendement van 4%. Vanaf 2017 wordt het forfaitaire rendement gebaseerd op de gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen (de vermogensmix) in combinatie met een in het verleden in de markt gerealiseerd rendement op beide componenten. Het vermogen van elke belastingplichtige wordt verdeeld over drie schijven. Per schijf geldt een gemiddelde vermogensmix die gebaseerd is op de feitelijke gegevens uit alle belastingaangiften over het kalenderjaar 2012. De vermogensmix zal achteraf worden geëvalueerd om te beoordelen of deze nog aansluit bij de realiteit of aanpassing behoeft. Vervolgens wordt op basis van werkelijk gerealiseerde marktrendementen in het verleden een gemiddeld rendement toegerekend aan het spaardeel (1,63%) en het beleggingsdeel (5,5%) in de vermogensmix. Na vermenigvuldiging met het tarief van 30 komt men uit op het te betalen belasting in box 3.

Let op!
Voor buitenlandse belastingplichtigen met een bepaald box 3-vermogen in Nederland zal hetzelfde forfaitaire rendement worden toegepast als voor binnenlandse belastingplichtigen met een even groot box 3-vermogen. 

Raming forfaitaire rendement in 2017
In onderstaande tabel ziet u het forfaitaire rendement per schijf (marginaal en per persoon) conform de raming in 2017

Schijf Box 3 vermogen (€) Rendement
1e 0 – 100.000 2,9%1
2e 100.000 – 1 mil. 4,7%2
3e 1 mil. of meer 5,5%3

67% x 1,63% + 33% x 5,5%
² 21% x 1,63% + 79% x 5,5%
³ 0% x 1,63% + 100% x 5,5%

Heffingvrije vermogen stijgt naar € 25.000 
Het heffingvrije vermogen van € 21.330 (bedrag in 2015) gaat met ingang van 1 januari 2017 omhoog naar € 25.000 per persoon. Fiscale partners mogen net als nu kiezen hoe zij het gezamenlijke box 3-vermogen na aftrek van tweemaal het heffingvrije vermogen van € 25.000 (in 2017), onderling verdelen. Als geen keuze kan worden gemaakt, wordt bij beide partners automatisch de helft van de grondslag in aanmerking genomen. Anders dan nu, kan de verdeling van de grondslag vanaf 2017 wel invloed hebben op de belastingdruk in box 3, namelijk wanneer een schijfgrens wordt overschreden.

Let op!
Een 50:50-toerekening is altijd voordelig voor de belastingdruk in box 3 als partners met de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen een schijfgrens overschrijden.

Overzicht heffingskortingen 2016

Heffingskortingen 2015 (€) 2016 (€)
Algemene heffingskorting maximaal < AOW-leeftijd 2203 2230
Algemene heffingskorting maximaal > AOW-leeftijd 1123  1139
Afbouwpercentage algemene heffingskorting 2,32% 4,796%
Algemene heffingskorting minimaal < AOW-leeftijd 1342 0
Algemene heffingskorting minimaal > AOW-leeftijd 685 0
Arbeidskorting max. 2220 3103
Afbouwpercentage arbeidskorting 4% 4%
Arbeidskorting min. 184 0
Werkbonus max. 1119 1119
Inkomensafhankelijke combinatiekorting max. 2152 2769
Jonggehandicaptenkorting 715 719
Ouderenkorting 1042 / 152 1187/70
Alleenstaande ouderenkorting 433 436